Het is koud. De vingers van de Scharrelaar zijn bijna bevroren. Dat is ook niet gek, in zijn handschoenen zitten enkele gaten. Veel helpen de grauwe dingen niet, maar het is iets. Bovendien ziet het er wat gekleder uit dan niets. Vandaag is de zwaarste dag tot nog toe deze winter. Eten heeft hij nauwelijks kunnen vinden in de vuilbakken die normaal gesproken rijkelijk gevuld zijn - er was geen markt vandaag, het is kerstmis - en de wind weet elk hoekje en gaatje te vinden. Hij heeft het vechten tegen de gure vlagen op een gegeven moment opgegeven en is ergens op een stoepje blijven zitten. Na enkele uren ging de wind liggen. Het had niet veel langer moeten duren of hij had zijn vingers kunnen opdienen vanavond.
Hij slentert wat door de stille straten. Doffe rust, echte kerstsfeer. Dit zijn de dagen dat hij zich wel eens wat verlaten voelt. Geen levend wezen kom je tegen in het centrum, hooguit hoor je wat zich van je verwijderende voetstappen die hol weerklinken tegen de hoge huizen. Troosteloos, dat is het enige woord dat hij ervoor kan bedenken. Vanavond zal hij wel een vuurtje stoken onder de brug, voor de gelegenheid - het blijft immers kerstmis - en om zich een beetje warm te houden. Wat zou het heerlijk zijn om ergens een fles alcohol te kunnen bemachtigen. Hopeloze hoop, wat doe je de mens aan. Er is geen winkel open, geen goedgeluimde heer in de buurt die een stuiver over zou hebben voor een oude zwerver. Het wordt een sobere kerstmaaltijd dit jaar.
De Scharrelaar kan zich betere tijden herinneren. De winters waren weliswaar kouder, maar er was een soort gebondenheid, een sfeer. Dat hield je dan warm. Er was een aantal jongens toentertijd die op dezelfde golflengte zaten zou je kunnen zeggen. Ze bewoonden dezelfde buurt, onderhandelden over de verdeling van voordeeltjes die ze konden bemachtigen en zaten vaak samen gedurende de nachten. Ze spraken weinig, maar er was ook niet veel te zeggen. Spreken leer je snel af op straat, waar elk word te veel kan zijn. Het waren woordloze conversaties, die hem meer zeiden dan menig gesprek dat hij zich kon herinneren uit de tijd dat hij nog onder de mensen was. Ondertussen zijn de jongens één voor één de pijp uit gegaan. Geen graf, niets. Dat is ook nergens voor nodig hoor, maar het maakt het wel moeilijk af en toe ergens een sigaretje voor ze achter te laten.
De Scharrelaar voelt zich een beetje ellendig - het blijft immers kerstmis. Ook al is er niemand om het mee te delen, het blijft aan je vreten. Wat zou het fijn zijn ergens een fles los te krijgen. Misschien is aanbellen de beste optie. Mensen zijn sowieso vrijgeviger op dagen als deze. Hij stopt voor een huis op de Prinsengracht. Even twijfelt hij, maar de drempel is te hoog. Zijn oude zwerversvoeten kunnen hem niet meer nemen, of durven niet. Dat wordt pijn lijden vannacht. Hij loopt verder langs de verlaten grachten. Als kroon op het werk begint het te miezeren, striemende, sluimerende druppeltjes. De Scharrelaar zinkt diep weg in zijn jas en verplaatst zijn gedachten naar ergens ver weg, de bovenwereld noemt hij het wel eens.
Hij schakelt zijn zintuigen uit, ziet niks meer met zijn ogen, hoort niets meer, voelt geen kou. Hij stelt zich voor dat hij een klein jongetje is en bij een moeder op schoot zit. Hij denkt altijd ‘een’ moeder, want zijn eigen moeder zal het wel niet zijn. Voor zover hij zich kan herinneren heeft hij nooit bij haar op schoot gezeten, laat staan met kerstmis. In de ogen van zijn moeder was zoiets als kerstmis er niet. Ze werkte, dag en nacht. Soms hoorde hij het, dat ze een klant meenam. Dan legde hij een kussen over zijn hoofd en vloog op een zwaan naar de bovenwereld. Die zwaan is er intussen niet meer, nu weet hij de bovenwereld op eigen houtje te vinden. Soms heeft hij er wat spul voor nodig, dan gaat het altijd sneller, maar vandaag gaat het ook zonder, hij moet wel. Daarboven wacht dan soms die moeder, soms niet. Af en toe belandt hij in een restaurant, waar hij aan een tafeltje zit, met een pak aan. Hij zit daar dan tot het kaarsje voor hem begint te flakkeren en plotseling uitgaat. Dan is het weer over. Of er iemand tegenover hem zit weet hij eigenlijk niet. Voordat hij zijn hoofd weet op te heffen, wat erg langzaam gaat, houdt het kaarsje er al mee op.
De regen stopt, gelukkig. De benedenwereld kan soms ook genadig zijn. Hij is al heel wat straten en bruggetjes verder. Even kijken, nog een eindje en dan is hij bij het Westerpark. Hopelijk liggen de deken en de doos er nog. De doos zal nu wel zo slap als pap zijn, maar als het vuurtje eenmaal aan is, wordt hij zo droog. Wat valt er eigenlijk op te branden? Geen takje zal meewerken vandaag. Misschien toch aanbellen. Plotseling herinnert hij zich de paar blokken hout die hij een tijdje geleden heeft weggestopt voor het geval het erg koud zou worden. Dankbaar aan de paar heldere momenten die hij de afgelopen weken heeft gehad slaat hij rechtsaf een klein straatje in. Hij moet eerst onder het viaduct door voor hij bij de plek komt waar het hout ligt. Dit leek hem toen de beste plaats. Voor zover hij weet komen hier geen andere jongens en ook wandelaars zijn er schaars. Het is er niet mooi, vandaar. Het doet luguber aan en het oogt als de beste plek om zo af en toe een spuit te zetten.
Halverwege het viaduct hoort hij plotseling geritsel. Hij stopt. Misschien zijn het die smerige agenten weer. De laatste tijd kammen ze geregeld het hele park af, erop uit om daklozen ook hun laatste toevluchtsoord te ontzeggen. Hij vervloekt alles wat los en vast zit. Het duizelt hem voor zijn ogen, hij sluit ze. Zelfs met kerstmis ben je niet veilig. Wat een leven. Als hij zijn ogen open doet zullen ze wel voor hem staan, die vuile hielenlikkers. Het verbaast hem, geen politie te zien. Hij loopt wat verder. Ook om de hoek staan ze niet. Nu hoort hij het geluid luider. Het moet vlakbij zijn, ergens tussen de takken. Zijn nieuwsgierigheid is niet te bedwingen; hij duikt het struikgewas in. Bovendien, wat heeft hij nu helemaal te verliezen. Hooguit krijgt hij een mes tussen zijn ribben. Misschien is dan alle ellende voorbij.
Wat hij ziet is iets geheel anders dan hij verwachtte. Het is een doos. De kleppen zijn dichtgevouwen. Er moet iets in zitten; het ritselt voortdurend en dozen maken geen geluid. Behoedzaam - voor je het weet heb je een exotisch insect in je snuit hangen, tegenwoordig vind je van alles in het park - slaat hij langzaam de kleppen één voor één open. Wat hij ziet is niet echt mooi: wriemelende, rozige vleeshompjes met wat dons. Het kijkt hem met 4 ronde, zwarte ogen aan. Als hij goed kijkt kan hij 8 pootjes onderscheiden, zelfs de nageltjes zitten er al aan. Het zijn katachtigen, dat zie je zo. Zelfs al zijn ze nog zo jong, ze kijken dwars door je heen met hun vileine blik. Hun puntige oortjes steken parmantig omhoog. De Scharrelaar moet glimlachen, niet alleen van vertedering, ook zijn macht brengt hem ertoe, hooghartig. Als hij ze hier zo zou laten staan, zouden ze geen schijn van kans maken. De weinige mensen die hier passeren zijn schorem; ze zullen het fatsoen niet op kunnen brengen om ze mee te nemen, hooguit om ze boven hun vuurtje te roosteren. Even heeft hij het leven in de hand.
Een beetje opgevrolijkt loopt hij met de doos het pad af, in de richting van zijn eigen doos. Hij slaapt er niet in, zo ten einde raad is hij nu ook weer niet. Wat is het al donker, valt hem opeens op, en nog steeds koud. De arme beestjes zullen zich onderhand ook wel als klompjes ijs voelen. Het is wat. Dat komt net kijken en wordt meteen aan zijn lot overgelaten. Een hartelijk welkom is anders. Het wordt tijd voor een vuurtje. Verdomme, helemaal vergeten om het hout mee te nemen. Hij draait zich in één ruk om en rent op een drafje terug richting het viaduct. Geen tijd te verliezen, de Scharrelaar heeft belangrijke zaken aan zijn hoofd.
Een klein half uurtje later komt hij aan bij de hazelnootstruik waar zijn winteronderkomen zich bevindt. ‘Jullie wachten even hier’, zegt hij, en zet de doos met de katjes tegen de stam aan. Hij zoekt zijn leven, het zit letterlijk allemaal in één doos: een paar oude foto’s, van het huis waar hij woonde, of liever het bordeel, van zijn eerste vriendinnetje en van zijn oma; een washandje; een stuk zeep; een spiegel die hij beter weg zou kunnen gooien - hij kijkt er toch nooit in en dat kan hij beter zo laten; en een fluoriserend groene veter. Waar hij die laatste vandaan heeft weet hij niet meer, misschien ergens gevonden bij de Albert Cuyp. Het geheel is inderdaad vochtig. Eerst een vuur. Hij pakt het aardappelmesje dat hij altijd in zijn zak heeft en schraapt wat krullen van een houtblok. Dat zal wel vlam vatten, het hout heeft droog gelegen. Om te voorkomen dat het Westerpark een vuurzee wordt - wat vrij onwaarschijnlijk is, maar je moet wel bewust met je omgeving omgaan - , gaat hij achter de struik zitten, met als gunstige bijkomstigheid dat de politie hem zo net niet kan zien. De katjes mogen naast hem staan. ‘Jullie moeten dit ooit immers allemaal zelf kunnen.’ Na ongeveer tien minuten brandt er achterin het Westerpark een klein, fel vuurtje. De Scharrelaar legt zijn deken uit. Hij pakt de twee kleine katjes en stopt ze onder zijn jas. Die kleintjes moeten nog beschermd worden, denkt hij. Knorrend valt de oude man in slaap.
