Je stond altijd voor me klaar, op me te wachten als ik weer eens moe of bezopen thuis kwam. Nooit klagen en nooit morren, je accepteerde álles. En al werd je als speekwoordelijke 'tent' toch regelmatig afgebroken, je stond er altijd rotsvast.
In weer en wind, zon of regen, vries of dooi, ik vond je werkelijk áltijd mooi. Geen onvertogen woord of kwade blik, ondanks de muffe onopgeruimde zooi. En al hield ik je wakker tot diep in de nacht, of maakte ik je pas wakker tegen de avond; jij vond dit nooit of te nímmer ongepast.
Je was mijn vriend, mijn held, mijn baken en rust. Mijn zorgeloze praatpaal en broedplaats voor lust.. We deelden vreugd en verdriet, tot ik plots werd verrast!
Er is geen toekomst voor jou en mij, geen oneindig vrolijk lied... Ik ga je missen huis, ookal jij mij niet..
